Gebitsslijtage van blijvende elementen (2025)
Screening van gebitsslijtage
Uitgangsvraag 1
-Welke screening van gebitsslijtage wordt aanbevolen?
Aanbeveling
+Overweeg, vanwege de verwachte beperkte snelheid van progressie van gebitsslijtage, elke 2 tot 3 jaar tijdens het periodiek mondonderzoek (of eerder bij niet-pluis) te screenen op aanwezigheid van gebitsslijtage, zodat preventieve maatregelen kunnen worden ingezet. Het heeft de voorkeur van de commissie om de screeningsmodule van de TWES te gebruiken, omdat deze eenvoudig te implementeren is.
Om progressie van gebitsslijtage te kunnen monitoren suggereert de richtlijnontwikkelcommissie de resultaten van de screening vast te leggen in het dossier van de patiënt.
De richtlijnontwikkelcommissie suggereert het volgende beleid afhankelijk van het screeningsresultaat:
| Resultaat screening | Leeftijd en evt. hulpvraag/ klachten patiënt | Beleid |
| TWES 0 | Alle leeftijden (blijvend gebit) | Screening over 2 tot 3 jaar (of eerder bij niet-pluis) |
| TWES 1 | ≥ 25 jaar | Screening over 2 tot 3 jaar (of eerder bij niet-pluis) |
| < 25 jaar en geen hulpvraag/ klachten | Screening over 2 tot 3 jaar (of eerder bij niet-pluis) | |
| TWES 2 | ≥ 25 jaar en geen hulpvraag/ klachten | Screening over 2 tot 3 jaar (of eerder bij niet-pluis) |
Achtergrond
Voor het kwantificeren van gebitsslijtage zijn er in de literatuur meer dan 100 verschillende systemen beschreven. Veel gebruikte systemen zijn de Eccles Index14, de Lussi Index15, de Tooth Wear Index (TWI)16, de Basic Erosive Wear Examination (BEWE)17, en het Tooth Wear Evaluation System (TWES 1.0; TWES 2.0)18,19. Andere in de literatuur genoemde zijn: het Simplified Erosion Partial Recording System (SEPRS)20, het Visual Erosion Dental Examination (VEDE) system (een aangepaste versie van de Lussi index)21, en de Anterior Clinical Erosive classification (ACE)22.
Methoden
Op 17 januari 2024 is in Ovid Medline gezocht naar bewijs uit de literatuur voor beantwoording van de uitgangsvraag. Gezien de overlap tussen de zoekstrategieën voor uitgangsvragen 1, 2 en 3, is er een overkoepelende zoekstrategie opgezet. Hierbij is gezocht naar combinaties van gecontroleerde trefwoorden en vrije tekstwoorden gericht op gebitsslijtage, methoden voor screening en monitoring, en risicofactoren en klinische signalen. De volledige zoekstrategie is opgenomen in bijlage 4. Met behulp van tevoren vastgestelde selectiecriteria is de literatuurselectie uitgevoerd in twee stappen: eerst op basis van titel en abstract en daarna op basis van de volledige tekst. De literatuurselectie is weergegeven in bijlage 5.
Resultaten
Literatuursearch en -selectie
+In totaal voldeden 14 artikelen aan de selectiecriteria.23–36 Deze zijn samengevat in bijlage 6. Het gaat om 10 cross-sectionele studies, drie prospectieve longitudinale cohortstudies en één retrospectieve cohort studie. In de studies werden verschillende methoden voor het vaststellen van gebitsslijtage gebruikt, waarbij de Basic Erosive Wear Examination (BEWE) het meest werd gebruikt (acht studies). De studies vergeleken ofwel verschillende indices (vier studies)26,27,30,33 ofwel het gebruik van eenzelfde index in verschillend materiaal (intra-orale scans versus mond en/of gebitsmodellen, zeven studies)23,24,29,32,34–36 ofwel het gebruik van een verkorte versie van een indices vergeleken met de volledige versie (drie studies)25,28,31.
Effectiviteit
+De gevonden studies rapporteerden op zeer verschillende wijze over de uitkomst ‘vaststellen van gebitsslijtage’. Het was dan ook niet mogelijk om resultaten van verschillende studies te combineren. Geen van de studies rapporteerde over de uitkomstmaten ‘bruikbaarheid in de praktijk’ of ‘bijwerkingen/ongemak bij de patiënten’.
Vergelijking tussen beoordeling in mond, op intra-orale scans/foto’s en/of gebitsmodellen
De studies van Al-Seelawi et al. en Alaraundanjoki et al. vergeleken gebitsslijtage beoordeeld met de BEWE in de mond met beoordeling middels de BEWE van intra-orale 3D scans.34,35 Al-Seelawi et al. vonden een matige overeenstemming tussen de beide methoden; slechts in 50% van alle beoordeelde tanden kwam de score tussen beide methoden overeen. Bij 27% van de gebitselementen was de score op de intra-orale scans hoger en in 22% was de score in de mond hoger. Op sextantniveau toonde de gewogen kappa-analyse een slechte tot gematigde overeenstemming tussen beide methoden. Ook Alaraundanjoki et al. vonden een matige overeenstemming tussen beide methoden. De gemiddelde BEWE-somscore van de intra-orale scans was 4,3 en van het klinische onderzoek 3,3 (p<0,01). Marro et al. vergeleken beoordeling van 3D-scans van gebitsmodellen middels de BEWE met de beoordeling van de gebitsmodellen zelf.29 De overeenkomst tussen de twee methoden was 88,4% (BEWE score > 0) op sextantniveau, waarbij de 3D-scans vaker een score > 0 hadden. Wohlrab et al. vergeleken beoordeling van intra-orale 2D-foto’s middels de BEWE met de beoordeling van gebitsmodellen en de beoordeling in de mond op drie verschillende tijdstippen.23 Er werd slechts op T1 een significant verschil gevonden, namelijk tussen de gemiddelde BEWE score van gebitsmodellen (9,4) en de gemiddelde BEWE score van de mond (8,0, p=0.017). De studie van Garcia et al. vergeleek intra-orale 3D-scans met klinische beoordeling van de mond .32 Voor de analyse werd de Tooth Wear Index gedichotomiseerd, waarbij alle dentities van deelnemers met een score van 1 tot 4 als aangetast werden beschouwd. De sensitiviteit was 100% voor de scans en de specificiteit 84,9% wanneer alle gebitselementen werden meegenomen in de beoordeling. Wanneer alleen naar specifieke gebieden werd gekeken, zoals naar de occlusale oppervlakken, daalden de sensitiviteit en specificiteit. De studie van Mehta et al. vergeleek de beoordeling van gebitsmodellen met behulp van de Tooth Wear Evaluation System (TWES) met de beoordeling van intra-orale 3D-scans.36 De gemiddelde score was significant verschillend tussen beide methoden, maar de richting van het verschil was niet consistent. De gebitsmodellen scoorden hoger op de occlusale/incisale oppervlakken, terwijl de 3D scans hoger scoorden op de andere oppervlakken. Als laatste vergeleken Travassos da Rosa Moreira Bastos et al. intra-orale 2D foto’s beoordeeld middels de index van Mockers met intra-orale 3D scans en beoordeling van de mond met dezelfde index.24 Ze vonden geen significante systematische fouten tussen de methoden voor de analyse van gebitsslijtage.
Vergelijkingen tussen verschillende classificatiesystemen (indices)
Dixon et al. onderzochten de validiteit van de BEWE ten opzichte van de Tooth Wear Index (TWI).33 Ze vonden een sensitiviteit van de BEWE van 48,6% en een specificiteit van 96,1% voor een score van 3 in een sextant. De sensitiviteit steeg naar 90,9% met een bijbehorende specificiteit van 91,5% wanneer een score van 3 op de BEWE werd afgezet tegen een score van 4 op de TWI. Twee andere studies vergeleken de BEWE met de Simplified Tooth Wear Index (STWI). Ramesh et al. vonden een overeenstemming tussen beide indices van 0,754 op persoonsniveau.27 De BEWE diagnosticeerde een hogere prevalentie van ernstige gebitsslijtage dan de STWI (21,4% vs 4,6%). Margaritis et al. constateerden een hogere prevalentie van erosie in ten minste één gebitselement bij meting met de BEWE (58%) dan bij de STWI (51,6%).30 In deze studie werd ook een derde methode gebruikt, namelijk de Evaluating Index of Dental Erosion (EVIDE). Met deze index werd een prevalentie van 45,2% gevonden. Als laatste vergeleken Rius-Bonet et al. de overeenkomst tussen de beoordeling met de Tooth Wear Evaluation System (TWES) en de klinische beoordeling van de mond door twee ervaren onderzoekers (geen specifieke index).26 Hierbij keken ze naar de voorspellende waarde van de verschillende tekenen uit de TWES. De resultaten suggereren dat een dof oppervlak, afgeplatte convexe gebieden en behoud van de glazuurmanchet (enamel cuff) aan de palatinale zijde van gebitselementen de meest relevante klinische tekenen zijn van erosie in de beginfase van gebitsslijtage.
Vergelijking tussen verkorte versie en volledige versie van verschillende indices
Olley et al. onderzochten of de cumulatieve sextantscore van de BEWE een accurate weergave is van de BEWE score van alle oppervlakken.28 De correlatie tussen de cumulatieve BEWE sextantscore en de procentuele score voor gebitsoppervlakken met een BEWE-score van 1 of hoger en 2 of hoger waren >0.8 (p<0,001). De correlaties daalden wanneer naar een individuele BEWE-score werd gekeken. De correlatie tussen de BEWE sextant score en de hoogste BEWE-score op alle oppervlakken was <0.7 (p<0,001). Steele et al. onderzochten de sensitiviteit van een gedeeltelijke mondbenadering bij het gebruik van de Smith and Knight index.25 De sensitiviteit bij een halfmondige opname was 81,1% (links) en 84,1% (rechts). Wanneer alleen de incisieven en cuspidatenwerden beoordeeld was de sensitiviteit 84,6% (onderkaak) en 47,8% (bovenkaak). Wanneer alle snijtanden en hoektanden werden beoordeeld was de sensitiviteit 96,4%. Hasselkvist et al. vergeleken de Simplified Erosion Partial Recording System (SEPRS) met een volledige beoordeling volgens de index van Hasselkvist.31 Gebaseerd op de dichotomisering van de piekerosiewaarde van 1 of hoger, was de sensiviteit van de SEPRS 93,9% bij baseline en 97,3% tijdens follow-up.
Kwaliteit van het bewijs
In bijlage 7 is een uitgebreide weergave van de kwaliteit van het bewijs per uitkomst te vinden. Voor alle uitkomsten is de bewijskracht met meerdere niveaus verlaagd, waardoor de uitkomsten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd.
Conclusies
| ZEER LAAG | Er lijkt een gematigde overeenstemming te zijn tussen beoordeling van intra-orale 3D scans, gebitsmodellen, 2D foto’s en klinische beoordeling van de mond wanneer dezelfde index wordt gebruikt.
Al-Seelawi, 201435; Alaraundani, 201734; Garcia, 202232; Marro, 201829; Mehta, 202136; Travassos da Rosa, 202124; Wohlrab, 201923 |
| ZEER LAAG | De gegevens suggereren dat de BEWE minder sensitief is voor het opsporen van gebitsslijtage dan de TWI.
Dixon, 201233 |
| ZEER LAAG | De data suggereren dat er met de BEWE een hogere prevalentie gebitsslijtage wordt gevonden dan met de STWI en de EVIDE.
Ramesh, 202227; Margaritis, 201130 |
| ZEER LAAG | Het zou kunnen dat slechts een beperkt aantal items van de TWES voorspellend zijn voor de aanwezigheid van gebitsslijtage.
Rius-Bonet, 202326 |
| ZEER LAAG | Het zou kunnen dat de SEPRS een sensitieve methode is voor het vaststellen van gebitsslijtage.
Hasselkvist, 202131 |
| LAAG | Er lijkt een redelijke correlatie te zijn tussen de cumulatieve BEWE sextant score, de procentuele score van de BEWE en de hoogste BEWE score.
Olley, 201428 |
| LAAG | Het zou kunnen dat het gebruik van een halfmondige opname met behulp van de Smith and Knight index sensitiever is voor het beoordelen van gebitsslijtage dan beoordeling van de hele mond.
Steele, 200025 |
Van bewijs naar aanbeveling
Gewenste effecten
+Uit de literatuur komt, ook vanwege de lage zekerheid van bewijs, geen specifieke voorkeur voor een bepaald instrument naar voren. De richtlijnontwikkelcommissie is van mening dat screening op gebitsslijtage standaard en systematisch bij intake van nieuwe patiënten en daarna elke 2 tot 3 jaar (of eerder bij niet-pluis) tijdens het periodiek mondonderzoek zou moeten plaatsvinden. De rationale voor deze termijn is dat gebitsslijtage over het algemeen zo langzaam gaat dat er minimaal 2 tot 3 jaar nodig is om relevante verschillen te kunnen waarnemen.37 Een screeningstermijn van bijvoorbeeld 1 jaar heeft dan geen zin.
Bij de evaluatie van de screening (en ook bij de overige modules) heeft de richtlijnontwikkelcommissie onderscheid gemaakt in patiënten jonger dan 25 jaar en patiënten van 25 jaar en ouder. Deze leeftijdsgrens is gekozen op de grens van jongvolwassen naar volwassen.38 Vanwege het gedrag en de levensstijl wordt verondersteld dat het risico op gebitsslijtage bij jongvolwassenen hoger is dan bij volwassenen.
Het gebruik van een eenvoudige en efficiënte methode voor de screening faciliteert de mondzorgverlener om bewust en actief te kijken naar gebitsslijtage. Het heeft de voorkeur van de commissie om de screeningsmodule van de TWES 2.0 te gebruiken (zie figuur 1 en 2 en tabel 1), vanwege compleetheid en toch de eenvoud van het classificatiesysteem , en ook de mogelijkheid tot uniformiteit en uitwisselbaarheid tussen mondzorgverleners (zie ook bijlage 8).18 Daarbij worden eventuele klinische verschijningsvormen in kaart gebracht. Om de screening snel te kunnen uitvoeren, worden bij de screening alleen de oppervlakken van elementen die meedoen met occlusie en articulatie betrokken. Bij nadere diagnostiek worden overige vlakken wel meegenomen in de status.
Door middel van vroegdiagnostiek kan gebitsslijtage sneller worden gediagnostiseerd en vastgelegd, om te kunnen vergelijken met follow-up. Daarnaast kunnen bij vroegdiagnostiek preventieve maatregelen worden ingezet om ernstige gevolgen van gebitsslijtage zoveel mogelijk te voorkómen.
| Sextant 1 occlusaal: ……. | Sextant 2 incisaal: ……. | Sextant 3 occlusaal: ……. |
| Sextant 2 palatinaal: ……. | ||
| Sextant 6 occlusaal: ……. | Sextant 5 incisaal: ……. | Sextant 4 occlusaal: ……. |
Figuur 1. Screening TWES18
Tabel 1. Kwantificatie TWES 2.0 bij screening18
| TWES 1: Milde slijtage
– Occlusaal/incisaal: slijtage beperkt tot het glazuur – Palatinaal: slijtage beperkt tot het glazuur |
| TWES 2: Matige slijtage
– Occlusaal/incisaal: slijtage met dentine expositie en verlies van klinische kroonhoogte ≤1/3 – Palatinaal: slijtage met dentine expositie (<50% oppervlak) |
| TWES 3: Ernstige slijtage
– Occlusaal/incisaal: slijtage met dentine expositie en verlies van klinische kroonhoogte >1/3 – <2/3 – Palatinaal: slijtage met dentine expositie (≥50% oppervlak) |
| TWES 4: Extreme slijtage
– Occlusaal/incisaal: slijtage met dentine expositie en verlies van klinische kroonhoogte ≥2/3 – Palatinaal: slijtage met dentine expositie (volledig verlies van glazuur of met exponatie van de pulpa) |

Figuur 2. Kwantificatie gebitsslijtage m.b.v. TWES 2.0
Ongewenste effecten
+De richtlijnontwikkelcommissie kent geen ongewenste effecten van regelmatige screening.
Kwaliteit van bewijs
+De algehele kwaliteit van bewijs is zeer laag.
Waarden en voorkeuren van patiënten
+De richtlijnontwikkelcommissie verwacht dat patiënten over het algemeen een voorkeur hebben voor het toepassen van screening en vroegdiagnostiek, zodat preventieve maatregelen kunnen worden ingezet en progressie van gebitsslijtage beperkt kan worden.
Balans gewenste en ongewenste effecten
+De richtlijnontwikkelcommissie is van mening dat de gewenste effecten van screening op gebitsslijtage opwegen tegen de ongunstige effecten en beveelt screenend onderzoek dan ook aan, waarbij een keuze gemaakt moet worden voor een instrument, dat relatief eenvoudig te implementeren is en waarbij oog moet zijn voor eenvoudige vastlegging in het patiëntendossier. De screeningsmodule van de TWES biedt deze mogelijkheid.
Economische overwegingen en kosteneffectiviteit
+Het screenen op gebitsslijtage dient tijdens het PMO te gebeuren en kost beperkt extra tijd.
Door het vroegtijdig vaststellen van eventuele gebitsslijtage kunnen preventieve maatregelen als gedragsverandering worden gestimuleerd. Daardoor kunnen mogelijk ingrijpende, dure, behandelingen voorkómen worden, zodat dit kostenreducerend kan werken.
Gelijkheid (health equity)
+De richtlijnontwikkelcommissie verwacht dat door het invoeren van screening de ongelijkheid zéker niet toeneemt. Bij succesvolle preventie-adviezen naar aanleiding van vroegdiagnostiek en daarmee het voorkómen van ingrijpende, dure, restauraties kan de gelijkheid in toegankelijkheid van de zorg zelfs toenemen.
Aanvaardbaarheid
+Er kan enige weerstand zijn tegen het invoeren van een extra onderdeel in het periodiek mondonderzoek, omdat het een extra handeling is aanvullend op de reguliere zorg.
Haalbaarheid
+Op dit moment is het nog niet mogelijk om resultaten van screening op gebitsslijtage eenvoudig en systematisch vast te leggen in een digitaal patiëntendossier. Dit zou aangepast moeten worden, analoog aan PPS, om eenvoudige vastlegging van de screening te faciliteren. Daarnaast kan er bij mondzorgverleners een gebrek aan kennis zijn over het vroegtijdig herkennen van functiebedreigende gebitsslijtage.
Bijlagen
Hieronder vindt u een overzicht van alle bijlagen horende bij de KPR Gebitsslijtage van blijvende elementen (2025)
- Bijlage 1 • Implementatieplan
- Bijlage 2 • Kennislacunes
- Bijlage 3 • Patiënteninformatie
- Bijlage 4 • Literatuursearches
- Bijlage 5 • Literatuurselectie
- Bijlage 6 • Tabellen met studiekarakteristieken
- Bijlage 7 • GRADE Evidence Profiles
- Bijlage 8 • Rationale voor keuze TWES 2.0 als screeningsinstrument
- Bijlage 9 • Orthodontie in relatie tot gebitsslijtage
- Bijlage 10 • Vragenlijst oorzakelijke en risicofactoren gebitsslijtage
- Bijlage 11 • Literatuur
- Bijlage 12 • Belangenverklaringen richtlijnontwikkelcommissie
Richtlijn samenvatting
Richtlijn samenvatting
Doelgroep
+- De richtlijn is gericht op de professionele mondzorg in het algemeen.
- De doelgroep van deze richtlijn is primair: tandartsen, mondhygiënisten en orthodontisten.
- Daarnaast verdient de richtlijn de aandacht van MKA-chirurgen, huisartsen, KNO-artsen en MDL-artsen.
- De doelpopulatie van deze richtlijn is alle mensen met blijvende gebitselementen.
Begrippen
+- Gebitsslijtage: een multifactorieel (chemisch-mechanisch) proces, dat leidt tot cumulatief verlies van de harde gebitsweefsels (glazuur, dentine, cement).Het is niet het gevolg van cariës, resorptie of een ongeval. Gebitsslij-tage is (bijna) altijd een combinatie van processen die voorheen bekend waren als erosie, attritie en abrasie.
- Functiebedreigende gebitsslijtage: vastgestelde gebitsslijtage in combinatie met:
- klachten van de patiënt, zoals gevoeligheid en/of pijn, verminderde esthetiek, moeite met kauwen en/of spreken, afbrokkelende gebitselementen en/of restauraties, verminderde mondgezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven en/of;
- inschatting dat de functie van het gebit bedreigd wordt en/of;
- inschatting dat preventief handelen de progressie van de gebitsslijtage niet afremt.
- Gebitsfuncties: Het gebit heeft, naast een rol in voedselverwerking (bijv. kauwen), belangrijke functies in spraakarticulatie en draagt bij aan culturele en esthetische waarden met sociale en psychologische impact.
- Oorzaken gebitsslijtage:
- mechanisch intrinsiek: slijtage ten gevolge van tand-tand contact op occluderende en articulerende contact-vlakken van de gebitselementen (bijv. klemmen, knarsen);
- mechanisch extrinsiek: slijtage , niet door functie of parafunctie, ten gevolge van bijvoorbeeld nagelbijten, kauwen op hard voedsel, bijten op een pen of hard poetsen met een borstel;
- chemisch intrinsiek: slijtage door zuren, t.g.v. intrinsieke factoren (bijv. maagzuurproblemen of eetstoornis-sen);
- chemisch extrinsiek: slijtage door zuren, t.g.v. voedselinname (bijv. zure dranken en/of voedsel, of andere blootstelling aan zuren),
- Screening: proces van systematisch controleren van patiënten op mondgezondheidsproblemen zonder dat er eerdere aanwijzingen (bijv. klachten of eerder vastgelegde problematiek) voor dergelijke mondgezondheids-problemen zijn. Het doel van screening is identificatie van mondgezondheidsproblemen in een vroeg stadium zodat tijdige interventie mogelijk is en ernstige gevolgen kunnen worden voorkomen.
- Diagnostiek: proces van identificeren en vaststellen van mondgezondheidsproblemen en aandoeningen bij pa-tiënten. Het doel van diagnostiek is om een nauwkeurige diagnose te stellen, zodat passende behandeling en monitoring kan worden ingesteld.
- Monitoring: proces van systematisch volgen van veranderingen, verbeteringen of verslechteringen, van de mondgezondheidssituatie van patiënten na een interventie. Het doel van monitoring is om potentiële proble-men vroegtijdig te herkennen en te voorkomen en om de effectiviteit van behandeling te evalueren.
- Preventieve maatregelen: maatregelen/adviezen die erop gericht zijn mondgezondheidsproblemen of vererge-ring daarvan te voorkomen. Door deze preventieve maatregelen toe te passen, kunnen patiënten hun mondge-zondheid (op lange termijn) verbeteren en (verdere) problemen voorkomen.
- Beetbeschermingsplaat: ook wel protectieplaat, knarsplaat, opbeetplaat of splint. Het is een op maat gemaakte kunststof plaat op de boven- of onderdentitie, die tot doel heeft om het gebit te beschermen. Dit wordt onder-scheiden van een stabilisatieopbeetplaat, die wordt gebruikt bij klachten in het kauwstelsel (kaakgewrichtspijn en/of kauwspierpijn).
TWES 2.0 kwantificatie (Tabel)
+
TWES 1: Milde slijtage
|
TWES 2: Matige slijtage
|
TWES 3: Ernstige slijtage
|
TWES 4: Extreme slijtage
|
Etiologie
+En er zijn klinische tekenen die duiden op de invloed van voornamelijk mechanische factoren:
Diagnostiek flowchart + invultabel
+Invultabel voor TWES diagnostiek
| Sextant 1 | Sextant 2 | Sextant 3 | ||||||||||||||
| Elementen bovenkaak | 18 | 17 | 16 | 15 | 14 | 13 | 12 | 11 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 |
| Buccaal | ||||||||||||||||
| Occlusaal/ incisaal | ||||||||||||||||
| Palatinaal | ||||||||||||||||
| Elementen onderkaak | 48 | 47 | 46 | 45 | 44 | 43 | 42 | 42 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 |
| Linguaal | ||||||||||||||||
| Occlusaal/ incisaal | ||||||||||||||||
| Buccaal | ||||||||||||||||
| Sextant 6 | Sextant 5 | Sextant 4 | ||||||||||||||
Vragenlijst oorzakelijke en risicofactoren + aanvullend kauwgestimuleerd onderzoek
+Algemene gezondheid
Drugsgebruik, depressie, stress en/of het gebruik van geneesmiddelen kan mogelijk effect hebben op gebitsslijtage. Heeft u in uw leven ervaring met drugsgebruik, depressie of stress, of langdurig gebruik van geneesmiddelen?
| Ja | Nee | Zo ja, kunt u dit kort toelichten? | Wanneer speelde dit? | |
| Geneesmiddelen* | O | O | ||
| Depressie of stress/spanning | O | O | ||
| Drugsgebruik | O | O |
* dit is aanvullend op de medische anamnese en actueel medicatieoverzicht (zoals beschreven in de KNMT-richtlijn Patiëntendossier, 2020)
Maagzuur en reflux
Hoe vaak heeft u in de afgelopen week last gehad van:
| Aantal keer | ||||
| 0 | 1 | 2-3 | 4-7 | |
| Een brandend gevoel achter uw borstbeen (brandend maagzuur)? | O | O | O | O |
| Dat uw maaginhoud (drank of voedsel) weer naar boven komt naar uw keel of mond (regurgitatie)? | O | O | O | O |
| Moeite met een goede nachtrust vanwege brandend maagzuur en/of regurgitatie? | O | O | O | O |
| Hoe vaak heeft u extra medicijnen geslikt voor uw brandend maagzuur en/of regurgitatie, ander dan wat uw arts u heeft aangeraden/voorgeschreven? (zoals Rennie®)? | O | O | O | O |
| Ja | Nee | |
| Geeft u vaak over? | O | O |
| Is bij u een eetstoornis vastgesteld? | O | O |
Orale activiteiten
Dingen die u met uw mond doet, kunnen invloed hebben op de slijtage van uw gebit. Daarom krijgen we graag een indruk hoe vaak u ieder van onderstaande activiteiten uitvoert. Baseer uw antwoorden op de afgelopen maand. Als de frequentie van de activiteit varieert, kies dan de hoogste optie.
| Nooit | Soms | Vaak | |
| Tanden of kiezen op elkaar klemmen of knarsen als u slaapt | O | O | O |
| Tandenknarsen als u wakker bent | O | O | O |
| Tanden of kiezen op elkaar klemmen als u wakker bent | O | O | O |
| Uw tong hard tegen uw tanden of kiezen duwen | O | O | O |
| Voorwerpen zoals haar, pijp, potlood, pen, vingers, nagels, vape, piercing etc. tussen uw tanden of kiezen houden, of erop bijten | O | O | O |
| Op een muziekinstrument spelen waarbij uw mond of kaak betrokken zijn (bijv.: houten of koperen blaasinstrumenten) | O | O | O |
| Voedsel alleen aan één kant kauwen | O | O | O |
Voedingsinformatie
| Laat u drinken wel eens ‘walsen’ (bijv. wijn) of ‘bruisen’ (bijv. frisdrank) in uw mond? | O Nooit |
O Zelden |
O Vaak |
O Altijd |
| Als u wat te drinken neemt (bijv. een glas frisdank), hoe zou u het drinken daarvan dan omschrijven? | O Ik drink het vlot op (bijv. binnen enkele minuten) |
O Ik doe er wel een tijdje mee |
O Ik doe bijv. wel een dagdeel met één consumptie |
Heeft u in de afgelopen periode van de volgende dranken gedronken? Zo ja, wat heeft u gedronken en hoeveel glazen per week?
| Ja | Nee | Zo ja, wat? | Hoeveel consumpties per week? | |
| Frisdrank (incl. water met smaak), vruchtensap, mixdrank, sportdrank, energiedrank | O | O | ||
| Wijn | O | O |
Heeft u in de afgelopen periode een van volgende zaken gegeten? Zo ja, wat en hoe vaak per week?
| Ja | Nee | Zo ja, wat? | Hoe vaak per week? | |
| Fruit | O | O | ||
| Snoep | O | O | ||
| Kauwgom | O | O | ||
| Zure sauzen of dressings, inclusief azijnproducten |
O | O | ||
| Andere zure producten | O | O |
Monddroogte
| Ja | Nee | |
| Mijn mond voelt vaak droog aan wanneer ik eet | O | O |
| Mijn mond voelt vaak droog aan | O | O |
| Het kost mij vaak moeite om droog voedsel te eten | O | O |
| Ik heb vaak moeite met het doorslikken van bepaalde voedingsmiddelen | O | O |
| Mijn lippen voelen vaak droog aan | O | O |
Eventueel kauwgestimuleerd speekselonderzoek
- Laat patiënten 1 minuut op een stukje parafine kauwen;
- Vang vervolgens 2 minuten speeksel op in een plastic cupje, dat van tevoren is gewogen op een weegschaal;
- Weeg daarna het cupje opnieuw en bepaal het speekselgewicht;
- Bepaal de speekselsecretiesnelheid in ml/minuut;
- Bepaal de pH van het speeksel met een pH-strip;
- Indien op verschillende tijden is gemeten moeten metingen over de tijd consistent zijn.
Interpretatie kauwgestimuleerd speekselonderzoek
| Secretiesnelheid in ml/min | Interpretatie | Zuurgraad (pH) | Interpretatie |
| > 2,00 | Hypersalivatie | > 8,0 | Abnormaal |
| 2,00-0,70 | Normaal | 8,0-7,0 | Normaal |
| 0,70-0,50 | Hyposalivatie | 6,9-6,0 | Riskant |
| < 0,50 | Ernstige hyposalivatie | < 6,0 | Pathologisch |
Diagnose
Stel de diagnose o.b.v. kwantificatie, kwalificatie en vragenlijst met de volgende mogelijkheden*:
De gebitsslijtage is te omschrijven als zijnde:
| gegeneraliseerd
of gelokaliseerd |
mild | niet functiebedreigend
of wel functiebedreigend |
, zowel chemisch als mechanisch van aard |
| matig | , voornamelijk chemisch van aard | ||
| ernstig | , voornamelijk mechanisch van aard | ||
| extreem |
* Bijv. ‘Vrouw van 22 jaar met lokale (sextant 2) milde (graad 1) gebitsslijtage, voornamelijk mechanisch van aard (inbeet en in elkaar passend)’ of ‘Man van 47 jaar met gegeneraliseerde (sextanten 1, 3, 4 en 6) matige (graad 2) gebitsslijtage en gelokaliseerde (sextanten 2 en 5) extreme (graad 4) functiebedreigende (zie lijstje) gebitsslijtage, zowel chemisch (cratering, hoogstaande restauraties, enamel cuff) als mechanisch van aard (inbeet en in elkaar passend)’
Monitoring
+Bij de patiëntengroepen:
- TWES 1 < 25 jaar met hulpvraag/klachten
- TWES 2 < 25 jaar
- TWES 2 ≥ 25 jaar met hulpvraag/klachten
- TWES 3 of 4
Bepaal elke 2-3 jaar (of eerder bij niet-pluis) of er progressie is t.o.v. eerdere metingen. Dit kan met:
- Visuele inspectie per element (TWES) en/of
- In volgorde van voorkeur van de richtlijnontwikkelcommissie:
-
- Intraorale 3D scan;
- Lichtfoto’s;
- Gipsmodellen.
Besteed aandacht aan beïnvloedbare risicofactoren en ingezette preventieve maatregelen.
Preventieve maatregelen
+Algemene preventieve maatregelen
Zie de patiëntenfolder ‘Gebitsslijtage’ van het Ivoren Kruis.
Specifieke preventieve maatregelen
Specifieke preventieve maatregelen dienen te worden afgestemd op beïnvloedbare risicofactoren die zijn vastgesteld bij de betreffende patiënt.
Belangrijke interventies zijn:
- Gericht op zuurgerelateerde factoren:
- Bij reflux: verwijs naar de huisarts voor medicamenteus beleid;
- Bij frequente inname van zuurhoudende voedingsmiddelen: beperk consumptie;
- Gericht op speekselgerelateerde factoren:
- Bij xerostomie en/of hyposialie: stimuleer een optimale speekselproductie (zie KIMO-richtlijn xerostomie en hyposialie gerelateerd aan medicatie en polyfarmacie);
- Gericht op mechanische factoren:
- Stimuleer bewustwording van klem- en knarsgewoontes en poetsgedrag; overweeg beetbeschermingsplaat, overweeg verwijzing naar tandarts-gnatholoog of orofaciaal fysiotherapeut bij functionele problemen;
- Afleren van parafuncties;
- Beperk gebruik van middelen die een droge mond en/of klem-/knarsgedrag stimuleren.
Als preventieve maatregel wordt hoektandgeleiding niet aanbevolen.
Evalueer ingezette preventieve maatregelen op korte termijn (bijv. na een maand).
Indicatie restauratieve behandeling
+- Bij patiënten zonder functiebedreigende gebitsslijtage is restauratieve behandeling van gebitsslijtage niet geïndiceerd.
- Bij patiënten met functiebedreigende gebitsslijtage bij wie er een kans bestaat dat preventieve maatregelen de klachten en progressie van gebitsslijtage beperken, is restauratieve behandeling van gebitslijtage niet geïndiceerd.
- Bij patiënten met functiebedreigende gebitsslijtage bij wie er géén kans (meer) bestaat dat preventieve maatregelen effectief zijn tegen klachten en beperking van progressie van gebitsslijtage, kan restauratieve behandeling van gebitsslijtage overwogen worden. Bespreek dit met de patiënt. De invulling van een eventueel restauratief behandelplan valt buiten bestek van deze richtlijn.
Patiënteninformatie
Patiënteninformatie
Wat is gebitsslijtage?
+Gebitsslijtage betekent dat de tanden en/of kiezen slijten. Hierdoor kunnen ze kleiner, dunner en geler worden. Soms kan dit pijn of gevoeligheid veroorzaken, of kan het moeilijker zijn om te kauwen of te praten. Gebitsslijtage ontstaat vaak door een combinatie van zure stoffen (zoals uit eten, drinken of maagzuur) en mechanische oorzaken (zoals tandenknarsen, klemmen of bijten op harde dingen). Een droge mond kan de gebitsslijtage versnellen.
Screening
+Elke twee tot drie jaar controleert de tandarts of er gebitsslijtage is. Als dit vroeg wordt ontdekt, kan er veel gedaan worden om problemen te voorkomen.
Onderzoek bij gebitsslijtage
+Als de tandarts gebitsslijtage ziet, kan er extra onderzoek gedaan worden, zoals een foto of scan om te kijken hoe ernstig de gebitsslijtage is. De tandarts kan ook vragen stellen en de mond onderzoeken om te achterhalen wat de oorzaak is van de gebitsslijtage.
Controle bij gebitsslijtage
+Als de tandarts gebitsslijtage ontdekt, wordt dit regelmatig gecontroleerd met bijvoorbeeld een scan of een foto. En de tandarts kijkt of de adviezen goed worden opgevolgd en of ze werken.
Behandeling van gebitsslijtage
+Hoe gebitsslijtage behandeld wordt, hangt af van de oorzaak. Als het komt door maagzuur dat omhoog komt (reflux), dan kunnen medicijnen helpen. Als u veel zuur eten of drinken gebruikt, dan is het goed om dit minder te doen. Als de oorzaak bijvoorbeeld tandenknarsen is, kan een opbeetplaat (een soort bitje) helpen. Ook stoppen met bijten op pennen of nagels kan helpen. Als de gebitsslijtage ernstig is en andere oplossingen niet helpen, kan de tandarts de schade eventueel herstellen met vullingen.
Wat kunt u zelf doen?
+Het is belangrijk om de adviezen van de tandarts en mondhygiënist goed op te volgen. Als het niet lukt om deze adviezen te volgen, vertel dit dan aan de tandarts. Samen kunt u dan een oplossing vinden.
Hoe zit het met de kosten?
+De kosten voor screening, onderzoek, controle en behandeling van gebitsslijtage voor kinderen tot 18 jaar worden meestal vergoed uit de basisverzekering. Bij twijfel overlegt u met uw tandarts en ziektekostenverzekeraar. Voor volwassenen hangt het af van de zorgverzekering en moet vaak een eigen bijdrage worden betaald. Restauratiebehandelingen kunnen veel kosten. Daarom is het belangrijk om te proberen de gebitsslijtage zo veel mogelijk te voorkomen met andere behandelingen.
Preventieve adviezen
+Voor algemene preventieve adviezen verwijst de richtlijn naar het voorlichtingsmateriaal van het Ivoren Kruis.
Richtlijn Ontwikkel Commissie
Richtlijn Ontwikkel Commissie
ROC
+Leden van de Richtlijn Ontwikkel Commissie:
- Prof. dr. B.A.C. (Bas) Loomans, voorzitter
- Dr. M.K. (Mariska) Tuut, richtlijnmethodoloog/secretaris
- Dr. N.M. (Nina) Molenaar, klinisch epidemioloog
- Dr. P. (Peter) Wetselaar, lid namens ACTA
- F.J.C. (Frederique) van der Werff MSc, lid namens KNMT
- Dr. C.E. (Chryssa) Papagianni, lid namens NVGPT
- Dr. R.H. (Ruud) Kuijs, lid namens Radboudumc
- Dr. C.M.C. (Catherine) Volgenant, lid namens ACTA
- R.M.F. (Roos) van Sambeek MSc, lid namens NVM-mondhygiënisten en de HAN
- Drs. O.M. (Onno) Hofman, lid namens Ivoren Kruis
- Drs. K.H. (Khee Hian) Phoa, lid namens VMBZ
- Drs. J. (Jan) Benedictus, lid namens Patiëntenfederatie
- Dr. M. (Mark) Laske, lid namens NWVT
- Drs. R.C.W. (Riemer) Vochteloo, lid namens NVVRT
- Dr. N.M.B.K. (Nop) Willems, lid namens NVvO
Klankbordgroep
+Leden van de klankbordgroep:
- Dr. Dien Gambon, namens Universitair Medisch Centrum Groningen CTM
- Drs. Reinier Eekelaar, namens Nederlandse Vereniging voor Kindertandheelkunde
- Drs. Laurens Tinsel, namens College Adviserend Tandartsen, Zorgverzekeraars Nederland
Colofon
Colofon
Colofon
In 2023 is gestart met de ontwikkeling van de klinische praktijkrichtlijn Gebitsslijtage van blijvende elementen door het Kennisinstituut Mondzorg (KIMO). De opleverversie (2025) van deze richtlijn zal vanaf september 2030 opnieuw moeten onderzocht op de noodzaak tot herziening.
De richtlijn is:
- Vastgesteld door het KIMO-bestuur op 28 februari 2025.
- Goedgekeurd door de raad van toezicht KIMO op 04 juni 2025.
- Algemeen verbindend verklaard door de FTWV op 10 juni 2025.
- Algemeen verbindend verklaard door de KNMT op 27 juni 2025.
Copyright
Het KIMO is een geregistreerde handelsnaam en een geregistreerd beeldmerk van Stichting Kennisinstituut Mondzorg. Stichting Kennisinstituut Mondzorg is houder van de auteurs- en databankrechten op alle onderdelen van deze site, zoals teksten, illustraties, lay-out, data en techniek. Zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van Stichting Kennisinstituut Mondzorg is verveelvoudigen, openbaar maken, opvragen en/of hergebruiken, anders dan voor eigen gebruik overeenkomstig de gebruiksvoorwaarden van Stichting Kennisinstituut Mondzorg, niet toegestaan.


















